Er moet nu elke ochtend even overlegd worden. Wie gaat er naar school? Wie heeft er thuisschool? En wie heeft welke (thuis-)juf of meester?
‘Meike heeft Janne’s juf op school,’ zeg ik, ‘en Janne moet vandaag thuis naast papa werken.’ Janne trekt een saai gezicht. Dan gaat er een lichtje op. ‘Oja!’ zegt ze. ‘Dan neemt hij die rekenmachine mee! Daar moet je dan een heel groot getal in typen,’ zegt ze met een wijs gezicht. ‘En dan op “keer”. Ja, je kunt ook “plus” of “min” doen, maar ik doe “keer”. En dan nog een getal. En dan de “is”. En dan, ploep, rekent ‘ie dat zo uit!’ zegt ze enthousiast. Magisch, zo’n rekenmachine als je in groep 4 zit.
