Ik werk als kunstenaar in mijn atelier in huis. Een luxe, want ik kan er altijd heen, kan makkelijk in- en uitlopen en kan alle projecten waar ik mee bezig ben laten liggen. Daarmee lopen mijn verschillende rollen ook vaak door elkaar. Dat vind ik soms best ingewikkeld. Als er een dochter thuiskomt uit school met verhalen, ik graag wil luisteren, maar mijn hoofd nog in een kleur zit. Of als ik volledig op ga in een vorm en er wordt gebeld dat de trein naar school niet gaat.
Gisteravond wilde mijn dochter graag samen met mij tekenen. Ik bakende het duidelijk af. Zij ging haar huiswerk afmaken. Ik ging mijn klusjes afmaken. En daarna konden we nog even samen tekenen. Ze koos een oog-teken-tutorial om een levensecht oog te tekenen met 3 kleurpotloden: rood, blauw en geel. We deden allebei ons uiterste best. Ik was gefascineerd door die drie kleuren potlood door elkaar. Het is zo simpel, leg ik altijd uit tijdens de atelierlessen als we verf mengen. Je hebt drie kleuren, en daar kun je alle kleuren van de wereld mee maken. Het is even zoeken naar de juiste balans van die drie kleuren.
Net als in het echte leven. Moederschap (ik denk in kleur, moederschap wordt rood), werk (blauw) en spelen (geel) mengen tot het in balans is, de juiste kleur. Gewoon lekker door elkaar heen, zoals jij dat wilt. Soms kom je prachtige nieuwe kleuren tegen. En soms, zoals deze week in een atelierles, een echte kótskleur. Dan meng je gewoon lekker verder tot het beter wordt.
En als je het echt niet meer weet, meng je alles op je bord door elkaar tot een vieze bruine kleur en pak je een nieuw bord met nieuwe verf. Dat noemen ze ook wel een midlifecrisis.
