Sushi, daar worden ze hier in huis erg blij van. En aangezien we in de levensfase zitten dat iedereen op andere tijden sport, meestal rond etenstijd, zijn gerechten die goed koud te bewaren en dus op verschillende tijdstippen te eten zijn ideaal. Als ik dan ook nog eens een dubbele hoeveelheid maak, is iedereen twéé dagen blij. Met sushi dan. Er zijn niet veel gerechten die ze hier graag twee keer achter elkaar eten.
Bij sushi hoort natuurlijk sojasaus. Een beetje uit het flesje in een klein bakje gieten. Precies genoeg inschenken, dat is een uitdaging. En een belangrijk deel van de opvoeding. Ik herinner me nog hoeveel schepjes hagelslag of bruine suiker ik vroeger op mijn boterham mocht doen. Zwaar overdreven vond ik dat. En zo beschamend als er vriendinnetjes mee-aten.
Maar ook ik neem de opvoeding erg serieus. ‘Je hebt nog een half bakje sojasaus over,’ zeg ik verongelijkt tegen mijn dochter wanneer ze het laatste stukje sushi in haar mond stopt. ‘Ja, maar meestal moet ik weer bijschenken en ik dacht dat dit wel goed was,’ legt ze uit. ‘Nou, gister zag ik dat er ook een half bakje over was,’ ga ik nog even lekker door. ‘Echt?’ vraagt ze verbaasd. ‘Ja, daar heb je niet over gezeurd, dus dat kon ik niet weten!’ concludeert ze dan met puber-logica.
Helder. Gewoon blijven zeuren dus. Daar rekenen ze op.
