Maandagochtend, we zijn ruim op tijd klaar om naar school te vertrekken. Meike heeft nog wat weerstand en staat in standje traag. Ik besluit dit keer met Janne mee vooruit te fietsen. Wanneer ik Janne heb afgeleverd op school fiets ik terug op zoek naar Meike, want haar schooltas zit nog in mijn fietstas. Ik kom haar nergens tegen. Vreemd.
Thuis zie ik dat haar fiets er niet meer staat, dus ik fiets toch maar weer richting school. Daar komt Meike ook aan fietsen. ‘Ja, ik had even een andere weg genomen, langs de skatebaan (lees: ver om) en toen werd ik een beetje afgeleid,’ legt ze uit. ‘Ik heb nog even gekeken of die paarden er stonden. En ik mocht alle honden aaien die ik tegenkwam!’ gaat ze stralend verder.
Blij dat ze op tijd op school is, spoor ik haar aan snel haar fiets weg te zetten en naar binnen te gaan. Wanneer ze op het nippertje de school in wil lopen, loopt er een kat langs die geaaid wil worden. Ik geef het op. Dit is overmacht. Het is tenslotte dierendag.
