In een verhuisdoos met kookboeken vond ik vanmorgen een boek terug met de titel ‘Lekker landschap – Smullen van bos en veld’. Ik blader het door en zie tot mijn vreugde verschillende plantjes beschreven ik hier ook in het bos heb zien staan. Vogelmuur. Kleine veldkers. En ook paardenbloemen. Onze paardenbloemenpopulatie proberen we al drie jaar tevergeefs te verkleinen. En nu blijk je ze dus gewoon te kunnen eten. Het blad, de bloem, en zelfs de wortel. Ik ga direct in de tuin op zoek om te proeven. Paardenbloemblad smaakt een beetje bitter. Ergens tussen sla en andijvie. Enthousiast oogst ik een flinke hoeveelheid.
‘Vanavond eten we paardenbloem,’ deel ik alvast mee tijdens de lunch. Een beetje voorbereiding is wel nodig bij zulk exotisch wild voedsel. ‘Ieh paardenbloemen! Dat ga ik echt niet eten hoor!’ roept Meike. ‘De bladeren kun je eten als sla en ik las dat je van de bloemen ook jam kunt maken,’ ga ik onverstoord verder. Janne slaakt een diepe zucht. ‘Nu zou ik willen dat mama niet bestaat,’ zegt ze. ‘Dat ik een andere mama heb.’
Ik laat me niet uit het paardenbloemenveld slaan. ’s Avonds maak ik een lekkere salade met paardenbloemblad. Meike en Janne proeven heel voorzichtig een verplicht blaadje. ‘Vies!’ is hun eerste oordeel. We hebben nog een lange weg te gaan. Gelukkig is er genoeg materiaal beschikbaar.
