Vandaag pas ik weer op mijn tweelingneefjes van 2. In de speeltuin willen ze brandweer spelen. ‘Ik ben een brandweer,’ zegt de één. ‘Ik ook, ik ben ook een brandweer,’ zegt de ander. ‘En ik dan? Wat ben ik dan?’ vraag ik. ‘Jij bent een gewoon mens,’ is het antwoord.
Na het buitenspelen willen ze allebei een boterham met appelstroop. ‘In stukken?’ vraag ik wanneer ik de boterhammen gesmeerd heb. ‘Ja, en dan zo dubbel,’ zegt de één. ‘Ik wil hem gewoon dubbel zoals papa doet,’ zegt de ander. ‘Niet in stukken.’ Na de boterham met appelstroop willen ze allebei nog een boterham met vlokken. Alles loopt op rolletjes.
‘Wij mogen áltijd vlokken en appelstroop,’ zegt de één. ‘Ja. Echt,’ zegt de ander heftig knikkend. Nu krijg ik toch argwaan. ‘En wat drinken jullie altijd bij je boterham?’ vraag ik. Ik besluit toch maar naïef af te gaan op wat ze zeggen. ‘Melk,’ zegt de één. ‘Ik wil mijn melk in een glaas,’ zegt de ander. ‘In een glas?’ vraag ik. ‘Nee in een glaas,’ herhaalt hij. Dat blijkt een glas te zijn.
‘En wat gaan we na het eten doen dan? Nog even slapen?’ opper ik. ‘Nee! Spelen!’ zegt de één. ‘Als mama in bed ligt mogen wij altijd tv kijken,’ zegt de ander. ‘Ja. Echt,’ knikken ze allebei met grote ogen. Ik ben ook maar een gewoon mens. Even tv kijken klinkt goed.
