We eten soep. ‘Wat zit erin?’ vraagt Meike. ‘Het is tomatensoep,’ zeg ik. Janne houdt niet van soep en kijkt met veel argwaan naar haar bord. ‘Met tomaat en prei en wortel?’ vraagt Janne. Dan weet ze in ieder geval wat haar te wachten staat. ‘Ja,’ zeg ik. ‘Het smaakt naar bruine bonen,’ zegt Meike na een eerste hap. ‘Zitten er bruine bonen in?’ ‘Nee,’ antwoord ik naar waarheid.
We eten er een stokbroodje bij. ‘Mag ik mijn broodje?’ vraagt Janne voor ze de soep geproefd heeft, maar wel aan een zorgvuldige inspectie heeft onderworpen. ‘Euh,’ zeg ik, terwijl ik nadenk of ik haar niet beter eerst de soep kan laten opeten. ‘Als je nee zegt kan ik mijn soep sneller opeten. Dan kan ik daarna mijn broodje opeten,’ is haar advies. Ik maak gebruik van deze wijsheid. ‘Nee, eerst je soep opeten.’
De soep blijkt mee te vallen, dus ik neem een gewaagd, maar dapper besluit. ‘Ok, dan noemen we deze tomatensoep voortaan linzensoep.’ Soms moet je de dingen ook gewoon bij hun naam noemen.
