Ik ben klimop van de bomen aan het halen en Janne fietst op haar loopfietstje om me heen. Met haar blote voeten in haar gympen. Ik heb zelf nog even sokken en laarzen aangedaan, want in het bos zitten je schoenen zo vol. Met takjes. Blaadjes. Beestjes? Ook Janne merkt nu waarom gympen zonder sokken in het bos niet fijn zijn. Ik zeg haar dat ze haar laarzen aan kan gaan trekken. ‘Blijf jij dan híer?’ vraagt ze. Bang dat ze me zo kwijt is wanneer ze terugkomt. ‘Ja, ik blijf hier op je wachten,’ zeg ik. ‘Bij deze boom.’ Janne heeft, in tegenstelling tot mij, een uitstekend richtingsgevoel. Deze boom weet ze wel weer te vinden. Ze gaat dapper op pad.
Nog geen halve minuut later komt ze weer aanlopen. ‘Ik durf niet alleen naar huis,’ zegt ze teleurgesteld. ‘Nou, je hebt het goed geprobeerd,’ zeg ik. ‘Ik maak deze boom even af en dan loop ik met je mee.’ Dat valt niet goed. ‘Jij moet nú mee!’ schreeuwt ze boos. ‘Nee Janne, ik maak deze boom even af, en dan kom ik met je mee,’ herhaal ik. Ze loopt rood aan, haar vuisten gebald. ‘Huh! Dan ga ik alléén weg! Zonder jóu!’ En boos stampt ze weg. Alleen.
