Het blijft wennen, dat winterweer. Omdat Meike vanmorgen zelf niet kon kiezen, koos ik haar kleren uit voor vandaag. Een broek en een trui. Helemaal verkeerd natuurlijk. ‘Die broek zit te hóóg! Dat staat helemaal niet mooi bij mij!’ Ik houd voet bij stuk. Dat is altijd het beste bij een ochtendcrisis.
Aan het ontbijt gaat het gezeur verder. ‘Mijn broek kriebelt! Er zitten kruimels in mijn broek!’ roept ze gefrustreerd. ‘Dat kan niet, want deze broek zit hoog, je trui zit eroverheen, dus er kunnen geen kruimels in komen,’ reageer ik. ‘Maar hij kriebelt!’ houdt ze vol. ‘Je moet er nog even aan wennen denk ik, dat gaat zo weer over. Jouw huid moet altijd even aan je kleren wennen,’ leg ik rustig uit. ‘Maar mijn huid wil vríjheid!’ roept ze uit in totale frustratie.
Wanneer ze thuiskomt uit school vraag ik haar hoe het gegaan is met de broek. Goed. Maar ze trekt wel direct haar neonroze lievelingsjurk aan. Zonder shirt. Zonder legging. Zonder sokken. Haar huid wil vríjheid.
‘Mama, ik heb het heel koud,’ zegt ze bibberend. ‘Hoe komt dat?’
