‘Mama, in een verhaaltje zei een oma dat de botjes gingen krimpen tot je doodgaat. Maar je gaat toch helemaal niet dood? Je gaat toch naar de hemel?’ vraagt Meike. Het is netjes een vraag met een inleiding, maar ik heb toch even tijd nodig om deze informatie te verwerken. Ze denkt er zelf ook nog even over na. ‘Mama, is dat waar eigenlijk? Dat je botjes krimpen?’ vraagt ze door. ‘Euh…’ weet ik net uit te brengen wanneer ze met haar conclusie komt. ‘Bij een díertje moet je wachten tot het velletje er af gaat en de botjes komen.’ Ze loopt weg, mij enigszins verbouwereerd achterlatend. Na een paar seconden komt ze nog even terug met een laatste verbeterpuntje: ‘Bij een insèct bedoel ik.’
Wat een dochter. Een zwaar onderwerp als de dood is zonder moederlijke inbreng zelfstandig opgelost tot iets kleins als een insect.
