Meike leert vanalles over dieren op school. Elke dag komt ze met nieuwe weetjes thuis. ‘Mama, een panta heeft hier aan de achterkant helemaal roze,’ zegt ze, over haar buik wrijvend. ‘Oh,’ zeg ik, ondertussen afvragend waar ze het over heeft. ‘Panter is het,’ corrigeer ik haar dan. ‘Nee!’ schreeuwt ze. Ze is zeer overtuigd van haar gelijk. ‘Panta is het!’ ‘Nee, dat heet een pantérr,’ blijf ik ook volhouden. ‘Nee! Een panta! Die stokjes eet!’ zegt ze gefrustreerd. ‘Oh, een panda,’ zucht ik opgelucht. De verwarring is uit de lucht. ‘Maar wat is die andere dan?’ vraagt ze nieuwsgierig. ‘Een panter. Ik dacht dat je een panter bedoelde,’ zeg ik, ‘kijk’. Ik laat een foto van een zwarte panter zien op mijn telefoon. ‘Zijn die gemeen? Zijn zwarte panders gemeen?’ vraagt ze.
