Jacob is er vanavond niet, dus ik mag Meike en Janne naar bed brengen. Dat lukt vanavond in alle rust. Natuurlijk moet ik een paar keer achter Janne aan rennen en haar weer terug in bed stoppen. En Meike een paar keer onder haar hoogslaper vandaan halen. Maar ik krijg ze toch relatief ontspannen in bed.
‘Mama, waarom was je niet boos?’ vraagt Meike. ‘Nou, jullie hebben toch best goed geluisterd vanavond? En netjes je eten opgegeten, rustig naar het verhaaltje geluisterd,’ zeg ik. ‘Ja, maar ik ging wel onder mijn bed kruipen,’ zegt Meike schuldbewust. ‘Ja, toen was ik ook even streng,’ zeg ik. ‘Maar ik houd altijd van jullie hoor,’ zeg ik er snel achter aan. ‘Ook als ik boos op jullie ben.’ Daar hadden Jacob en ik het gister nog over. We vinden het belangrijk dat ze weten dat we altijd van ze houden. Ook als we boos op ze zijn. ‘Ook als ik een boef ben?’ vraagt Meike. Waar liggen de grenzen van onvoorwaardelijke liefde. ‘Ook als je een boef bent,’ zeg ik, ‘papa en mama houden altijd van je.’ ‘En als ik een hele grote boef ben?’ vraagt Meike. ‘Dan ook. Ik houd altijd van je,’ antwoord ik, ‘ook als je een hele grote boef bent.’ ‘Ja, dan doe je gewoon mee!’ roept Meike enthousiast.
Na een half uurtje wordt ze huilend, trillend en bezweet wakker. ‘Mama, ik wil nóóit naar de gevangenis’ zegt ze met een klein stemmetje. Niet meer zo enthousiast over het boevenleven. Boef of geen boef, ik zal altijd van haar houden.
