Meike zit in de auto. Op weg naar school. Met één bloem in een waterfles. Eén bloem uit de bos van gisteren. ‘Mama, wat voor bloem is dit eigenlijk?’ vraagt ze. ‘Euh, ik weet het niet, ik kan het even opzoeken,’ zeg ik. ‘Mag ik een echte naam voor ‘m uitzoeken?’ vraagt ze dan. ‘Natuurlijk,’ antwoord ik. Ondertussen zie ik dat het een paradijsbloem is. ‘Z’n naam is Roosje,’ beslist Meike. ‘Nee, dat is een bloemennaam,’ zegt ze vervolgens. ‘Z’n naam is Kroontje. Kan ik hem voor altijd houden?’ ‘Nee, een bloem gaat een keer dood,’ antwoord ik eerlijk. ‘Maar dan kan ik toch een nieuwe kopen?’ vraagt ze. ‘Ja.’ ‘Maar dan is het geen kadootje meer van mijn vriend,’ concludeert ze met enige teleurstelling. Het is even stil in de auto. ‘Is t ‘ie nu al dood?’ vraagt ze dan voorzichtig. ‘Nee,’ antwoord ik. ‘Fieuw! Nu word ik echt nooit meer verdrietig met deze bloem. Als die maar bij me blijft.’
De bloem en Meike bleven inderdaad bij elkaar. Hij ging overal mee naar toe. Af en toe wat drinken. Zelfs mee buiten spelen in de pauze. De bloem heeft het op school helaas niet overleefd. Tot lichte opluchting van mij. En juf, denk ik. De rest van de bloemen laten we maar gewoon veilig thuis.
