Meike is al weken bezig. Bijna dagelijks begint ze er over. Ze wil een hond. Wanneer we met z’n vieren aan het ontbijt zitten, grijpt ze haar kans. ‘Vind jíj een hond leuk, papa?’ ‘Ja,’ antwoordt Jacob nog nietsvermoedend. ‘Vind jij een hond leuk, mama?’ vraagt ze vervolgens. ‘Euh, nee,’ zeg ik. ‘Nou, dan moeten we maar een hond in huis nemen,’ concludeert ze. Ik begrijp deze conclusie niet helemaal, maar gelukkig staat Jacob me bij. ‘Nou, niet in Nigeria,’ zegt hij. Huilen. ‘En een hond moet je elke dag uitlaten. Ook als je nog heel lekker ligt te slapen ’s ochtends,’ gaat hij verder. ‘Ja!’ roept Meike enthousiast. ‘Dan maakt ‘ie me wakker en dan zeg ik “ok”. Maar als het onweert dan wil ik niet hoor. Ik ben bang dat het hondje dan wegwaait.’ Als Meike iets wil hebben, zeggen we altijd dat ze het op haar verlanglijstje kan zetten. Ze wil nu een hondje op haar verlanglijstje. Ik wil in dit geval wel duidelijk zijn. ‘Je krijgt niet altijd álles van je verlanglijstje hè?’ zeg ik voorzichtig. Met grote puppy ogen kijkt ze me aan. ‘Maar wel een hónd toch?’ ‘Nee,’ zegt Jacob. ‘Maar van mama wel,’ zegt Meike, ‘het staat al op m’n verlanglijstje.’ We knutselen samen een hondenmasker. De rest van de ochtend is ze zelf een puppy. Ik schuif de echte vraag nog weer even vooruit.

Een gedachte over “Puppy ogen”