Na veertien uur slapen kwam Meike vanmorgen onze kamer in lopen. Nog wat slaapdronken. ‘Ik hoorde een uil,’ zegt ze. ‘Ik hoorde een uil, dus het is nog nacht,’ concludeert ze . ‘Maar ik ben niet bang hoor.’ En ze loopt weer terug naar bed.
Janne zit ondertussen overal aan. ‘Kappen nu Janne!’ zeg ik op een gegeven moment. Janne loopt direct naar Jacob. Die zit nog wat te werken achter zijn laptop. ‘Kappen nu papa! Kappen nu papa!’ roept ze. Inderdaad, tijd om op pad te gaan.
We gaan richting de wijngaarden van Stellenbosch. In de auto doen we een spelletje. ‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet, en de kleur is… groen,’ zegt Meike. ‘Oh het is al weg,’ zegt ze dan. We besluiten dingen ín de auto te kiezen. Ik kies een moeilijke. ‘De kleur is…wit!’ Na een poosje raden geef ik een tip. ‘Als Janne lacht, kun je het zien. Cheese, Janne!’ Meike kijkt Janne goed aan. ‘Janne’s tanden!’ roept ze. Geraden. Meike komt nu ook op gang. ‘En de kleur is… bruin!’ zegt ze met twinkeloogjes. ‘Zal ik je een tip geven? vraagt ze na een poosje. ‘Het zit hier, in je billen! Hihi!’ ‘Euh…poep?’ vraag ik. ‘Haha, ja! Hahaha!’
Ook ’s avonds in het restaurant blijkt dit een prima spelletje. Wachtend op het toetje. Chocolade ijs. ‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet, en de kleur is…bruin!’ Gelukkig was het geen poep.
