Ik heb boterhammen met hagelslag gesmeerd. We kunnen aan tafel. Het is vijf over zes. In de ochtend. Janne zit al ongeduldig aan tafel te wachten. Ik ga op zoek naar Meike. Die zit op de grond voor de deur van mijn zusje en haar vriend. ‘Ik wacht even tot zij wakker zijn,’ legt ze uit. ‘Ik heb net even gekeken, maar ze slapen nog.’ Na tien minuten pakt ze er een stoeltje bij. Dat zit beter.
Ook Jacob doet een poging. ‘Wil je vast een boterham?’ vraagt hij Meike. ‘Ik wil Jorte en Ruud!’ blijft ze volhouden. ‘En dat is heel belangûhrijk!’ ‘Wat is heel belangrijk?’ vraag ik. ‘Jorte en Ruud!’ ‘Maar die slapen nog,’ zeg ik. ‘Kom eerst maar je boterham eten.’
Wanneer we haar eindelijk aan tafel hebben gekregen, liggen haar stukjes boterham met hagelslag niet mooi genoeg op haar bord. Drama. ‘Ik heb genoeg gehad van jullie!’ schreeuwt ze. Duidelijk. Vandaag is het Jorte en Ruud.
