Vanmorgen gingen we naar de kerk. Op de fiets langs de weilanden. Ik ga met Meike mee naar de kinderdienst. We lopen naar een echt hunebed. Zittend op het grafmonument van onze verre voorouders uit de steentijd, luisteren we naar een bijbelverhaal. Het verhaal over de toren van Babel. Waar de mensen een toren wilden bouwen tot in de hemel. De zon op mijn gezicht. In de Noorderduinen. Boven op een eeuwenoud hunebed. Ik voel me als in de hemel.
’s Middags ligt Meike bij opa op schoot de Tour de France te kijken. ‘Welke wil er winnen dan opa?’ vraagt ze. ‘Ze willen allemaal winnen’ zegt opa. Meike ook. We gaan nog een rondje over het Drentse platteland. Wij lopend. Meike op de fiets. Ze heeft goed opgelet. Ze gaat als een speer. Ik oefen met loslaten. Meike oefent met het begrip inhalen. Jacob legt het haar uit. ‘Met een gróte boog fiets je aan déze kant óm je voorganger héén.’ Deze uitleg was noodzakelijk om ernstig letsel te voorkomen. Meike deed namelijk niet aan inhalen. Ze fietst gewoon keihard door. Roept ‘Aan de kant! Aan de kant! Ik kom er aan!’. Belt ná de botsing met haar fietsbel en roept verontwaardigd: ‘Ik zei toch dat ik er aan kwam!’ Dat lijken me meer Nigeriaanse verkeersregels.
’s Avonds heeft ze nog een belangrijke mededeling. ‘Mama, voor mijn verjaardag wil ik een helm, en een racepak, en een grote fiets, om te racen.’ Ik ga zo toch nog maar een rondje hardlopen. Mijn conditie een beetje op peil houden. Ik sta weer met beide benen op de grond. Het is hard werken als moeder hier op aarde.

Een gedachte over “Inhalen”